13Heb ik dan mijn hart vergeefs in reinheid bewaard, En mijn handen in onschuld gewassen:
14De ganse dag word ik geplaagd, Iedere morgen opnieuw geslagen!
15Dacht ik: Zo wil ik spreken! Dan brak ik de trouw van het geslacht uwer kinderen;
16Maar als ik ging peinzen, om het te vatten, Dan bleef het een raadsel in mijn oog.
17Totdat ik in Gods raadsbesluiten drong, En op hun einde ging letten:
18Ja, Gij hebt ze op een glibberige bodem gezet, Ze gestort in hun eigen verderf!
19Hoe zijn ze in een oogwenk vernietigd, Verdwenen, in verschrikkelijke rampen vergaan:
20Heer, als een droom, die bij het ontwaken vervliegt, Wiens beeld we bij het opstaan verachten!