Text copied!
CopyCompare
De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939 - Hooglied - Hooglied 4

Hooglied 4:1-8

Help us?
Click on verse(s) to share them!
1Wat zijt ge verrukkelijk, mijn liefste: Uw ogen liggen als duiven achter uw sluier, Uw lokken zijn als een kudde geiten, Die neergolft van Gilads gebergte.
2Uw tanden als een kudde, die pas is geschoren, En zo uit het bad; Die allen tweelingen hebben, Waarvan er geen enkel ontbreekt.
3Als een band van purper uw lippen, Aanminnig uw mond; Als granatenhelften blozen uw wangen Door uw sluier heen.
4Uw hals als de toren van David, Gebouwd met kantélen: Duizend schilden hangen er aan, Louter rondassen van helden.
5Uw beide borsten twee welpen, Tweelingen van de gazel, die in de leliën weiden,
6Totdat de dag is afgekoeld En de schaduwen vlieden. Ik wil naar de berg van mirre gaan En naar de heuvel van wierook;
7Want alles is schoon aan u, liefste, Geen vlek op u! …
8Van de Libanon, mijn bruid, Met mij zijt ge van de Libanon gekomen, Hebt ge Amana’s top verlaten, De top van Senir en de Hermon: De holen der leeuwen, De bergen der panters.

Read Hooglied 4Hooglied 4
Compare Hooglied 4:1-8Hooglied 4:1-8